Langverwachte uitspraak Grondwettelijk Hof over geheime commissielonen

Fiscaal recht
Annemiek Lewandowski |

De bijzondere aanslag geheime commissielonen (art. 219 WIB92), zoals gewijzigd door de Programmawet van 19 december 2014, is sedert de inwerkingtreding van de nieuwe regeling uitvoerig aan bod gekomen in hangende dossiers voor de fiscale rechtbanken. Meer bepaald bestond er hoofdzakelijk discussie met de fiscale administratie over de niet-toepassing van de bijzondere aanslag, indien de verkrijger van de niet op fiches gerapporteerde vergoedingen of voordelen van alle aard op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen de twee jaar en zes maanden volgend op 1 januari van het betreffende aanslagjaar.

In sommige gevallen kan dit in de praktijk leiden tot de situatie dat er helemaal geen belasting meer verschuldigd is. De bijzondere aanslag mocht immers niet meer toegepast worden in hoofde van de vennootschap, maar de genieter van de voordelen kan evenmin nog belast worden, indien de aanslagtermijnen verstreken zouden zijn (zie hierover het artikel “Geheime commissielonen: toch geen onbeperkte toepassing van de ondubbelzinnige identificatie?”, dd. 22.03.2016).

Bij vonnis van 13 januari 2016 heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Namen deze situatie aangekaart bij het Grondwettelijk Hof.

Het Grondwettelijk Hof (arrest nr. 92/2017 van 13 juli 2017) oordeelt dat de nieuwe regeling van de bijzondere aanslag geheime commissielonen in die zin geïnterpreteerd moet worden, dat de toepassing van deze aanslag bij de vennootschap niet verhinderd kan worden, ook al werd de verkrijger geïdentificeerd binnen de voorziene termijn, indien de belastingadministratie niet is kunnen overgaan tot de belasting van de verkrijger binnen de voorgeschreven termijnen. Een andere interpretatie is volgens het Grondwettelijk Hof strijdig met de Grondwet.

Volgens het Hof “is het immers niet redelijk verantwoord dat de toepassing van de nieuwe bepaling van art. 219 WIB 92 ertoe kan leiden dat noch de belastingplichtige die aan de oorsprong ligt van het geheime commissieloon, noch de verkrijger ervan wordt belast wanneer de belastingadministratie wordt verhinderd na te gaan of die betalingen bij de verkrijger wel hun geëigend fiscaal stelsel hebben ondergaan en, bijgevolg, of de fiscus die laatste daadwerkelijk heeft kunnen belasten.”

Het Grondwettelijk Hof is van oordeel dat de bijzondere aanslag bij tijdige identificatie van de verkrijger niet zonder voorbehoud in elke situatie achterwege gelaten mag worden. Volgens het Hof moet de belastingadministratie in ieder geval de mogelijkheid hebben de genieter van de voordelen nog daadwerkelijk te belasten op het moment dat zij kennis krijgt van zijn identiteit. Indien de Administratie nalaat de verkrijger van de voordelen te belasten, ook al was zij wel in de mogelijkheid hiertoe (tijdens de gewone aanslagtermijn van 3 jaar, of tijdens de verlengde aanslagtermijn van 7 jaar in geval van fraude), is dit te wijten aan haar eigen nalatigheid, en moet de bijzondere aanslag geheime commissielonen alsnog vernietigd worden. Dit zal dan tot gevolg hebben dat er geen belasting meer geheven kan worden, noch bij de vennootschap, noch bij de verkrijger.

De uitzondering van de “tijdige identificatie” wordt aldus niet afhankelijk gemaakt van de effectieve belastingheffing in hoofde van de genieter van de voordelen, maar wel van de mogelijkheid die de Administratie gehad moet hebben om de genieter te belasten.

Annemiek Lewandowski