advocaten Gevaco

Plus de 50 ans de connaissances et d'expérience

Les textes traitent de droit belge et sont uniquement disponibles en néerlandais.

Nieuwsbrief 32: De kwaliteit van de juridische bijstand in België.

(18 - 02 - 10)

Meer dan ooit tevoren dient het recht op juridische bijstand beschouwd te worden als een conditio sine qua non voor een moderne en democratische rechtstaat. Als ‘foundation of all other rights’ en als essentieel onderdeel van het recht op verdediging, valt dit basisrecht niet meer weg te denken uit onze huidige en steeds complexer wordende samenleving. Niet alleen garandeert het de beklaagde het recht om zich op een adequate manier te verdedigen, maar het vormt ook een basisvoorwaarde voor de vervulling van het ‘equality of arms principe.’ Kortom: het recht op juridische bijstand zorgt ervoor dat de rechten van verdediging niet louter theoretisch blijven, maar effectief en praktisch in het dagdagelijkse leven kunnen worden omgezet

Er zijn verschillende factoren die de vraag naar een goed geolied systeem van juridische bijstand verantwoorden. Zo is er de tsunami van nieuwe en vaak zeer technische wetgeving waarmee we steeds vaker geconfronteerd worden. Het gevolg van deze vage en onduidelijke wetgeving, is dat Jan met de pet in de onmogelijkheid verkeert om zijn rechten te begrijpen, toe te passen en om de naleving ervan te controleren. Verder is er ook nog de toenemende juridisering en contractualisering van relaties die de honger naar een kwalitatieve juridische bijstand vergroten. Ook deze fenomenen leiden ertoe dat een steeds groter wordende groep van de bevolking een zwakkere rechtspositie krijgt. Ze worden functioneel analfabeet in dit kluwen van wetten en regels.
Bijgevolg heeft de rechtzoekende nood aan de kwaliteitsvolle juridische bijstand van een advocaat die als een tolk de wetten voor hem vertaalt en begrijpelijk maakt.

De raadsman zal de verdachte, die door de vervolging zowel psychisch als sociaal zwaar belast wordt, bijstaan. De verdachte zal hierdoor beter op de hoogte zijn van zijn rechten. Sterker nog, er zal zelfs voor gezorgd worden dat die rechten ook effectief geëerbiedigd worden. Naast de functie van tolk vervult de advocaat dus ook de functie van waakhond over de rechten van de verdachte. Het recht op de bijstand van een advocaat is dus zonder twijfel een essentieel bestanddeel van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces.

De Europese Commissie dient niet overtuigd te worden van het broodnodige karakter van het recht op juridische bijstand. Zo is dit recht volgens haar “the key issue in procedural rights for suspects.” Dit is één van de redenen waarom ze in 2003 overging tot het opstellen van een Groenboek inzake procedurele waarborgen voor verdachten in strafzaken in de gehele Europese Unie. In dit Groenboek werd nagegaan wat de gemeenschappelijke minimumnormen zouden kunnen zijn en op welke gebieden zij zouden kunnen worden toegepast. Net zoals in het Groenboek werd ook in het daarop aansluitende Voorstel voor een Kaderbesluit voorgesteld om verdachten zo spoedig mogelijk toegang te verlenen tot de rechtsbijstand door een gekwalificeerde advocaat en om minimumnormen hieromtrent op te leggen.

Het belang van een kwalitatieve juridische bijstand is dus duidelijk. Maar wat houdt dit fundamentele recht nu concreet in? Is het louter aanduiden van een advocaat voldoende of wordt er meer vereist van de Staat? Zowel het Groenboek, het Voorstel voor een Kaderbesluit als het Europese Hof voor de Rechten van de Mens wijzen erop dat deze juridische bijstand effectief en praktisch moet zijn. Het louter aanstellen van een advocaat zal in geen geval volstaan. Zowel het systeem van de juridische bijstand als de advocaat zelf zullen dus aan bepaalde kwaliteitsvoorwaarden moeten voldoen.

In de toekomst zal er bijgevolg moeten onderzocht worden aan welke kwaliteitseisen het systeem van de juridische bijstand zal moeten beantwoorden. Zo zal er ondermeer moeten worden nagegaan vanaf wanneer de verdachte recht heeft op de kosteloze juridische bijstand. Heeft de verdachte, vanaf het moment van zijn aankomst op het politiekantoor en ongeacht zijn bestaansmiddelen, recht heeft op de kosteloze bijstand van een advocaat? Het is immers zo dat de verdachte in deze initiële fase altijd recht moeten hebben op de kosteloze bijstand van een advocaat.
De sleutelrol die de advocaat voor de verdachte in de fase van het vooronderzoek speelt is immers cruciaal. Als tolk, vertrouwenspersoon en waakhond is hij voor de verdachte onmisbaar. Een minimalistische interpretatie van dit recht is dus uit den boze. Zo mag het recht op juridische bijstand in geen geval beperkt worden tot het louter en alleen aanstellen van een advocaat.
De juridische bijstand reduceren tot een loutere ‘toevoeging’ zou immers een uitholling betekenen van het recht op bijstand en kan leiden tot misbruiken door betrokken overheden.
Een belangrijk kwaliteitsaspect van het recht op juridische bijstand is dus het moment waarop men aanspraak kan maken op de (kosteloze) toevoeging van een advocaat. Hierbij moet men goed voor ogen houden dat het uitermate belangrijk is dat dit moment zo vroeg mogelijk zal plaatsvinden. In de rechtsleer wordt er immers over het algemeen aanvaard dat de fase van het vooronderzoek een determinerende invloed heeft op de vonnisfase. Wil men vermijden dat er zich onherstelbare schade zou voordoen in hoofde van de verdachte, dan dient de bijstand in deze fase zo snel mogelijk te worden verleend.
In België stellen we vast dat er reeds vierentwintig uren (en in het ergste geval 48 uren) kunnen verstreken zijn vooraleer de verdachte op de hoogte wordt gesteld van het recht op de kosteloze bijstand van een advocaat. Bij de vrijheidsbeneming door een particulier kan deze periode zelfs langer zijn. Bovendien is het dan nog steeds niet zeker dat de verdachte van de kosteloze bijstand van een advocaat zal kunnen genieten. Indien hij gedetineerd is kan hij wel profiteren van het weerlegbaar vermoeden van gelijkstelling aan de personen die over onvoldoende inkomsten beschikken. Is hij niet gedetineerd dan zal hij moeten bewijzen dat hij voldoet aan de inkomensvoorwaarden. Er is dus een algemeen recht voor de verdachte om te worden bijgestaan door een advocaat maar dit enkel en alleen na het voorafgaandelijk verhoor door de onderzoeksrechter. Het eerste contact tussen de advocaat en de verdachte zal dus in de gevangenis plaatsvinden.
Uit onderzoek blijkt dat het Belgische recht, zoals wel te verwachten viel, niet volledig in overeenstemming is met de bepalingen van het Groenboek. Dit houdt bijgevolg in dat het recht op juridische bijstand niet ‘as soon as possible’ na de arrestatie aan de verdachte wordt verstrekt.
Nederland daarentegen scoort betere punten bij de Commissie. Het Nederlandse rechtssysteem komt in het algemeen wel overeen met de bepalingen van het Voorstel voor een Kaderbesluit. Hierbij is het interessant om onder andere de Nederlandse ‘piketregeling’ eens onder de loep te nemen. Volgens artikel 57 Sv. kan de Officier van Justitie, voor wie de verdachte wordt voorgeleid, na hem te hebben verhoord, bevelen dat hij gedurende het onderzoek ter beschikking van Justitie zal blijven. Deze proceshandeling noemt men de inverzekeringstelling. Vanaf dit moment heeft de verdachte volgens artikel 40 en 41 Sv. onmiddellijk recht op de kosteloze toevoeging van een advocaat. Sinds 1 januari 1974 kan dus elke verdachte die in verzekering is gesteld, genieten van de kosteloze bijstand van een advocaat.

~ The courts are open to anyone – like the Ritz” ~



Ook de toekenningsvoorwaarden voor de kosteloze bijstand van een advocaat vormen een belangrijk kwaliteitsaspect. Vanzelfsprekend is het recht van de verdachte om kosteloze juridische bijstand te verkrijgen niet absoluut. Er kan in beperkingen worden voorzien en voorwaarden kunnen worden opgelegd in de mate dat zij het principe van de ‘fair trial’ niet aantasten. Deze voorwaarden kunnen betrekking hebben op zowel de inkomsten, hoedanigheid van de rechtzoekende (508/13 Ger.W.) als de al dan niet aanwezigheid van een kennelijk ongegrond karakter (508/14 Ger.W.). Bovendien kan het Bureau voor Juridische Bijstand a posteriori een einde maken aan de juridische tweedelijnsbijstand wanneer de begunstigde niet langer voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 508/13 Ger.W. of wanneer hij kennelijk geen medewerking verleent bij de verdediging van zijn belangen.

Wie komt er nu in aanmerking voor de aanstelling van een pro-Deo advocaat?

In België dient er onderscheid te worden gemaakt tussen twee categorieën. Enerzijds zijn er de rechtzoekenden wiens inkomen zich onder een bepaalde grens situeert.

Om in aanmerking te komen voor kosteloze juridische bijstand moet de verdachte volgens het Gerechtelijk Wetboek immers ‘minvermogend’ zijn. De Koning bepaalt bij een in de Ministerraad overlegd Besluit de hoogte van die inkomensgrens en de voor te leggen bewijsstukken. Anderzijds is er ook de categorie van rechtzoekenden welke vermoed worden onvermogend te zijn, zoals bijvoorbeeld de gedetineerde. Naast de volledig kosteloze bijstand voorziet het systeem van de juridische bijstand ook nog in de gedeeltelijke kosteloosheid waarbij een eigen bijdrage zal worden opgelegd.

Wie de aanstelling van een pro-Deo advocaat wenst te bekomen dient dus aan te tonen dat hij hiervoor in aanmerking komt en dient de hiertoe vereiste documenten neer te leggen bij het Bureau voor Juridische Bijstand. De minvermogende brengt hiervoor zijn inkomensgegevens voor. Zij die vallen onder het vermoeden brengen de bewijsstukken voor naargelang de reden waarom zij vermoed worden minvermogend te zijn. De persoon in hechtenis bijvoorbeeld legt hiervoor het bewijs van zijn hechtenis voor.

Niet iedereen zal dus in aanmerking komen voor de volledig of gedeeltelijk kosteloze juridische bijstand. In Nederland komt ongeveer veertig à vijftig procent van de bevolking voor de kosteloze juridische bijstand in aanmerking. Bij ons is dat amper vijftien procent. Je moet al rond de armoedegrens leven om gratis bijstand van een advocaat te kunnen krijgen. Zonder een grondige aanpak, het systeem gedoemd is te blijven wat het nu is, namelijk een rechtshulp voor de echte sukkelaars, verstrekt door advocaten die daar zelf moeilijk van kunnen leven. Zonder een forse verhoging van het staatsbudget voor de juridische bijstand staat ons democratisch rechtssysteem op losse schroeven.

In de toekomst dient er worden nagegaan welke waarborgen of garanties een Staat moet inbouwen teneinde de verdachte in de onderzoeksfase een volwaardig recht op juridische bijstand te garanderen. Hierbij zal de vergoeding van de pro-Deo advocaat een cruciale rol spelen. Een volwaardige vergoeding van de geleverde diensten zal niet alleen bijdragen tot een verhoging van de kwaliteit, maar bovendien zal ze ook het opleggen van de kwaliteitseisen legitimeren. Enkel indien men de advocaten in het kader van de juridische bijstand naar behoren zal vergoeden, zal men het opleggen van de kwaliteitsstandaarden kunnen verantwoorden. Kwaliteit heeft nu eenmaal zijn prijs. De verhoging van de vergoeding voor de pro-Deo advocaten is van essentieel belang. Hoe kan men immers van de advocaten verwachten dat zij extra inspanningen leveren teneinde een kwaliteitsvolle dienst af te leveren, indien ze niet naar behoren vergoed worden?

De schreeuw naar deze marktconforme vergoeding klinkt dus steeds luider en de voordelen van een adequate vergoeding zijn talrijk. Zoals gezegd dient ze enerzijds ter legitimering van het opleggen van de voorgestelde kwaliteitseisen. Bovendien zal deze verhoging van de vergoeding als een incentive werken t.a.v. de meer ervaren advocaten. Door het pro-Deo werk financieel aantrekkelijker te maken zullen de oude rotten in het vak geprikkeld worden om zich toch te laten opnemen op de lijsten van pro-Deo advocaten. Op deze manier zal de juridische bijstand de broodnodige input van kwaliteit en ervaring krijgen. De idealisten die werkelijk ‘pro-Deo’ werken vormen immers een uitgestorven ras. Door deze input van ervaring en jarenlange praktijkervaring creëert men als het ware een kwaliteitsinjectie in het systeem van de juridische bijstand. Het is aan de overheid om de nodige stappen hiervoor te zetten. Het verwezenlijken van het recht op juridische bijstand is immers in beginsel de taak van de overheid. Op deze laatste rust namelijk een ‘institutieverplichting’.

In België werkt men met een gesloten budget. Het budget wordt gedeeld door het totaal aantal punten dat door alle advocaten wordt ingediend. Zo heeft elk punt dus een geldelijke waarde. Het is nu juist hier waar de problemen zich voordoen. Kennelijk daalt de waarde van die punten immers onafgebroken sedert de inwerkingtreding van de Wet van 23 november 1998 betreffende de juridische bijstand, met name doordat het aantal behandelde dossiers voortdurend stijgt. Afhankelijk van het aantal en de aard van de verrichte prestaties zal de vergoeding van de advocaten dus af- of toenemen. Ook al is het budget voor de juridische tweedelijnsbijstand ieder jaar gestegen, toch stijgt de waarde van één punt niet evenredig mee. De reden hiervoor is dus simpelweg omdat tegelijkertijd ook het aantal pro-Deo zaken sterk toegenomen is. De criteria om in aanmerking te komen voor een al dan niet gedeeltelijk kosteloze juridische bijstand, werden bij de Wet van 1998 immers versoepeld. Zo lijkt het systeem slachtoffer te zijn van haar eigen succes.

Frankrijk hanteert een gelijkaardig puntensysteem. Het grote verschil is dat de geldelijke waarde van één punt vooraf wordt vastgesteld en dat deze waarde dus niet omgekeerd evenredig is met het aantal rechtshulpzaken zoals bij ons. In Frankrijk is er ook een open budget voor rechtshulp in plaats van een gesloten. Een derde verschil is dat de geldelijke waarde van één punt verhoogd wordt indien een balie relatief veel rechtshulp moet behandelen.

De kwaliteit van de juridische bijstand in België is zeker en vast niet slecht. Toch is er op het vlak van de bovenvermelde kwaliteitsaspecten nood aan een hervorming. Op supranationaal niveau wordt de lat immers zeer hoog gelegd. Vooral op budgettair en op organisatorisch vlak mogen er van de overheid bijgevolg grotere inspanningen worden verwacht. Met wat geluk is de wetgever, door de komst van het Groenboek en het Voorstel voor een Kaderbesluit, al op zijn minst wat gevoeliger geworden voor de rechten van verdediging van de verdachte. Laten we hopen dat de strijd voor meer kwaliteit niet uitsluitend een gevecht blijft voor de idealisten onder ons en dat we in de toekomst enkele ingrijpende hervormingen mogen verwachten op het vlak van de juridische tweedelijnsbijstand. Een realistische vergoeding voor de bereidwillige advocaten die zich inzetten om de minder gegoeden in onze maatschappij een volwaardige toegang tot het recht te verlenen, zou al een stap in de goede richting zijn.

Pieter-Jan HENDRICKX,
advocaat.


belgavokaAdvocatennetadvogatefrancavoka
Webdesign by Nozzle Communication Agency.