
Kan men in burgerlijke zaken de heimelijke opname van een eigen telefoongesprek gebruiken als bewijsmiddel?
De bewijsmiddelen die men kan aanwenden in burgerlijke zaken zijn wettelijk bepaald in de artikelen 1315 e.v. B.W.
Ten tijde van het opmaken van het burgerlijk wetboek (in 1804) bestond de telefonie nog niet (Graham Bell 1874), zodat er omtrent een mogelijk bewijs door opnames van telefoongesprekken geen bepalingen zijn opgenomen in het Burgerlijk Wetboek en de regels dienaangaande ontwikkeld zijn (en nog steeds worden) door de rechtsleer en rechtspraak.
Gedurende de afgelopen jaren hebben een aantal rechtbanken het hoofd moeten buigen over de vraag of in burgerlijke zaken heimelijk opgenomen eigen telefoongesprekken kunnen worden toegelaten als bewijsmiddel.
Uit de samenlezing van deze uitspraken blijkt dat de rechtbanken telkens twee elementen op bewijsvlak moeten onderzoeken.
Allereerst zal men moeten uitmaken of het bewijs geoorloofd is en pas daarna zal men moeten nagaan of het bewijs op een rechtmatige manier verkregen werd.
Indien op één van deze twee vragen negatief moet worden geantwoord, dan kan het bewijs niet worden toegelaten door de rechtbanken.
Indien op de eerste vraag positief wordt geantwoord, dient men de tweede vraag te onderzoeken en indien deze ook positief wordt beantwoord, kan het bewijs worden toegelaten. Dan nog zullen de rechtbanken een soort van belangenafweging moeten maken.
Een bewijs is geoorloofd wanneer er geen wettelijke restricties zijn om een dergelijk bewijs bij te brengen. Wanneer een bewijs vervalst is of gedekt is door het beroepsgeheim, zal het als ongeoorloofd worden beschouwd (ook al werd het op een rechtmatige manier bekomen).
Sommige rechtbanken zijn van oordeel dat een telefoongesprek buiten het weten van de gesprekspartner opgenomen steeds een schending uitmaakt van het recht op privacy, en derhalve ongeoorloofd is.
Andere rechtspraak bekijkt dit probleem vanuit een ander oogpunt en beschouwt het recht op privacy niet als een absoluut recht.
Hier kan ook de vraag gesteld worden of er een verschil is in benadering inzake de bescherming van het privé-leven wanneer het gaat om een zakelijk of een privé-gesprek..
Bepaalde rechtspraak is van oordeel dat zakelijke gesprekken niet worden gedekt door de bescherming van het privé-leven, zodat het een geoorloofd bewijs vormt.
Het is slechts wanneer het bewijs geoorloofd is dat men kan overgaan tot het stellen van de tweede vraag betreffende de rechtmatige verkrijging van dit bewijs.
Reeds op 17.12.1997 heeft het Hof van Beroep te Gent geoordeeld dat het niet volstaat vast te stellen dat geluidsopnamen een rechtmatig bewijsmiddel zijn, doch dat bovendien moet worden vastgesteld dat deze geluidsopnamen op rechtmatige wijze verkregen zijn, alvorens te worden toegelaten tot de bewijsvoering.
Er moet aldus worden nagegaan of de verkrijging van het bewijs al dan niet is aangetast door onrechtmatigheden, zoals bijvoorbeeld door list of bedrog. Ingeval de verkrijging ervan zodanig is aangetast door dergelijke onrechtmatigheden, zullen de rechtbanken oordelen dat de bewijsverkrijging onrechtmatig is en zal het verkregen bewijs niet worden toegelaten.
Het bewijs wordt door de rechtbanken eveneens als onrechtmatig verkregen beschouwd, wanneer het bijvoorbeeld gaat om een verklaring ontlokt aan een persoon waarmee men reeds in een geschil verwikkeld is met de bedoeling deze verklaring tegen die persoon te gebruiken.
Zoals reeds gesteld zullen de rechtbanken nadat zij vastgesteld hebben dat het geoorloofde bewijs op een rechtmatige manier verkregen werd, nog steeds een belangenafweging maken rekening houdende met de concrete omstandigheden van de zaak.
Indien men immers op een andere rechtmatige wijze zijn of haar vordering zal kunnen bewijzen, zal het bewijs geleverd door de heimelijke opname van een eigen gesprek vaak niet worden toegelaten.
Indien men echter op geen andere wijze zijn of haar vordering kan bewijzen, bijvoorbeeld omdat de tegenpartij niet meewerkt aan de rechtsvinding of bepaalde stukken heeft weggemaakt, zullen de rechtbanken geneigd zijn het verkregen bewijs door de heimelijke opname wel toe te laten.
Het is dus uiteindelijk de rechtbank die op basis van de hierboven vermelde overwegingen en rekening houdende met de concrete omstandigheden, zal uitmaken of het verkregen bewijs door opname van het telefoongesprek al dan niet zal worden toegelaten als bewijs.
Hilde TIELENS
Advocaat