
Bijzondere gebeurtenissen kunnen er toe leiden dat wetgevende en uitvoerende initiatieven daadwerkelijk in een stroomversnelling terecht komen.
Zo is het ook met het Jeugdbeschermingsrecht gegaan. Na de zogenaamde mp3-moord op Joe Van Holsbeeck in april van vorig jaar, kon er na jarenlang “aanmodderen” onder druk van de publieke opinie eindelijk een belangrijke stap in de hervorming van het Belgische Jeugdrecht gezet worden door goedkeuring van de wetten van 15 mei en 13 juni 2006.
In deze tekst zal een summier overzicht gegeven worden van enkele nieuwigheden ten aanzien van de oude Jeugdbeschermingswet die reeds van 8 april 1965 dateerde.
Belangrijk is hierbij aan te stippen dat de nieuwigheden ingegeven zijn door volgende 4 principes: responsabilisering van de betrokken jongeren én ouders, meer aandacht voor het slachtoffer en rechtswaarborgen tijdens de procedure.
I RESPONSABILISERING VAN DE JONGEREN
Waar men vroeger veeleer uitging van delinquentie als symptoom van een slechte opvoeding en/of een slechte leefsituatie, acht men jongeren vandaag steeds meer zelf verantwoordelijk voor hun gedragingen. Zij moeten hier dan ook zelf op aangesproken kunnen worden. De jeugdrechter zal zich bij zijn beoordeling voortaan dan ook niet alleen meer laten leiden door de persoon van de minderjarige, maar hij zal hierbij ook de ernst van de feiten en de nood om de maatschappij te beschermen in rekening brengen.
Jongeren krijgen in de vernieuwde wet de kans te tonen dat zij hun verantwoordelijkheid willen opnemen door aan de rechter een verbintenissenproject voor te leggen waarin zij maatregelen voorstellen die zij zelf passend achten als reactie op hun daden.
Daarnaast kan ook de jeugdrechter de jongere op zijn verantwoordelijkheid aanspreken en beslissen dat deze een dienst moet bewijzen aan de gemeenschap, zoals bijvoorbeeld het ruimen van straatafval.
Hoewel men nog steeds het principe huldigt dat het gedrag van jongeren en de problematisering ervan specifiek zijn, kunnen minderjarigen die tussen hun 16e en 18e bepaalde misdrijven pleegden toch dermate verantwoordelijk geacht worden dat zij door de jeugdrechter “uit handen worden gegeven” en aan het parket worden toevertrouwd. De minderjarigen zullen dan zoals volwassenen voor een strafrechter moeten verschijnen.
II RESPONSABILISERING VAN DE OUDERS
Niettemin blijft men de belangrijke rol van de ouders in de totstandkoming én in de aanpak van jeugddelinquentie erkennen.
Zo kunnen ook ouders een berisping van het parket krijgen voor strafbare feiten die hun minderjarige kinderen pleegden. Het parket kan aan de ouders bovendien voorstellen om een ouderstage te volgen, met als doel, hun kinderen beter te leren “opvoeden” en weghouden van criminaliteit. In sommige gevallen kan het parket hen zelfs verplichten om een dergelijke stage te volgen.
Ouders zullen in ieder geval ook meer betrokken worden bij het optreden ten aanzien van hun minderjarige kinderen. Zij zullen deelnemen aan het debat over de aan hun kind op te leggen maatregelen.
III BETROKKENHEID VAN HET SLACHTOFFER
De jeugdrechter zal zijn aandacht door de nieuwe wetten niet meer uitsluitend moeten toespitsen op de persoon van de minderjarige dader en zijn sociale omgeving, maar hij zal ook de belangen van slachtoffers in rekening moeten brengen, ondermeer door herstelgerichte maatregelen voor te stellen, zoals een herstelbemiddeling of een herstelgericht groepsoverleg.
In beide gevallen zal er via tussenkomst van een bemiddelaar een gesprek georganiseerd worden tussen de minderjarige dader en het slachtoffer (in sommige gevallen zelfs met hun beider sociale omgeving). Er zal dan samen gezocht kunnen worden naar mogelijkheden tot herstel van de schade.
IV RECHTSWAARBORGEN
Voortaan kan het parket ook zonder tussenkomst van de jeugdrechter een aantal maatregelen treffen ten aanzien van minderjarige daders. Zo kan het parket een waarschuwingsbrief aan de minderjarige en zijn ouders sturen, een bemiddelingsvoorstel formuleren in ruil voor het verval van de strafvordering of een ouderstage voorstellen.
De minderjarige en zijn ouders zullen ook beter geïnformeerd worden over de maatregelen die ten aanzien van de minderjarige geschikt worden geacht, waarbij de jeugdrechter de voorkeur dient te geven aan de minst ingrijpende maatregelen, en over welke rechtsmiddelen er binnen welke termijnen tegen de beslissingen kunnen worden aangewend.
AFSLUITEND
Met de Wetten van 15 mei en 13 juni 2006 werd eindelijk tegemoet gekomen aan de sinds 1965 veranderde pedagogische en criminologische opvattingen: de minderjarige moet van jongs af aan verantwoordelijkheid leren opnemen voor zijn daden, maar moet bij zijn bestraffing kunnen rekenen op de nodige rechtswaarborgen; het slachtoffer moet recht van spreken hebben.
Caroline BOVEN,
advocaat.