
1. De administratieve procedure tot aanpassing van de milieuvergunningsvoorwaarden: grijp de kans als ze zich voordoet.
Enige tijd geleden werden wij gecontacteerd door een bedrijf uit de Mijnstreek.
Het bedrijf werd in de lozingskarakteristieken van de VMM gecatalogeerd als een zgn. P-bedrijf en had in haar milieuvergunning van 2003 op aandringen van AQUAFIN de voorwaarde opgelegd gekregen om tegen 30.04.2006 af te koppelen van de leiding naar de rioolwaterzuiveringinstallatie van Halen (verder: RWZI).
Concreet betekende dit dat het bedrijf tegen die datum moest voorzien in een eigen waterzuiveringsinstallatie en tevens een eigen, rechtstreekse, leiding naar een andere RWZI moest aanleggen. Zelfs na het in rekening brengen van de subsidies die hiervoor konden worden bekomen, impliceerde dit voor het betrokken bedrijf nog een kost van meer dan 300.000,00 EUR.
Het bedrijf had via haar externe milieuconsultant verschillende vergaderingen en contacten gehad met oa. de AQUAFIN en de VMM maar meer dan vergaderingsverslagen die het probleem niet oplosten en een aantal pittige facturen ?voor advies? had het bedrijf er in dit geval niet aan overgehouden?
Wij hebben dan bij de bevoegde overheid een gemotiveerd verzoek ex art. 45 VLAREM I ingediend. Via een dergelijk verzoek kan een milieuvergunninghouder de bevoegde overheid ervan pogen te overtuigen de milieuvergunningsvoorwaarden aan te passen voor het einde van de vergunningstermijn.
In het verzoek werd een uitvoerige argumentatie opgebouwd, o.m. op basis van de rechtspraak van de Raad van State i.v.m. de Omzendbrief van minister DUA van 21.11.2001 met betrekking tot de beoordeling van de verenigbaarheid van de lozing van bedrijfsafvalwater op de openbare riolering met de beleidsaanpak inzake RWZI-exploitatie, technische informatie i.v.m. de restcapaciteit van de kwestieuze RWZI’s, de beginselen van behoorlijk bestuur en tenslotte de Beleidsnota van de op dat moment pas aangetreden minister van Leefmilieu PEETERS i.v.m. met het Afkoppelingsbeleid.
De argumentatie kwam er in fine op neer dat de voorwaarde (investering) die aan het bedrijf was opgelegd niet (meer) te verantwoorden was bij gebreke aan bewijs van een effectieve benefit die daaruit zou voortvloeien voor het leefmilieu.
Bij besluit van 02.01.2006 volgde de bevoegde overheid deze argumentatie en schrapte zij de kwestieuze nadelige milieuvergunningsvoorwaarde, daarbij tevens verwijzend naar de intussen in werking getreden Omzendbrief van minister PEETERS van 14.11.2005 met betrekking tot verwerking van bedrijfsafvalwater via de openbare zuiveringsinfrastructuur. Deze Omzendbrief concretiseerde de eerder vermelde Beleidsnota.
Dit verhaal toont aan dat milieuvergunningsvoorwaarden aanzienlijke kosten voor ondernemingen met zich kunnen brengen maar anderzijds niet noodzakelijk starre, onveranderbare, verplichtingen vestigen vermits ook zij onderhevig kunnen zijn aan (een wijziging in) de regelgeving of in het beleid van de bevoegde minister van leefmilieu.
Een voordelige aanpassing van de milieuvergunningsvoorwaarden zal u echter zelden spontaan in de schoot worden geworpen door de overheid. Via een bijzondere administratieve procedure kan u zelf een kans op aanpassing van de milieuvergunningsvoorwaarden creëren en op die wijze kosten en/ of boetes pogen te vermijden. Daarbij vraagt u best de bijstand van een gespecialiseerd advocaat, eventueel optredend naast een consultant wiens kennis eerder op het milieutechnisch vlak is gelegen.
U mag immers niet uit het oog verliezen dat de omvang van de onderzoeks- en motiveringsplicht die op de overheid rust bij het nemen van een beslissing over uw verzoek bepaald wordt door de argumentatie opgenomen in uw verzoekschrift. Uiteraard moet de overheid de regelgeving toepassen, maar de realiteit is dat de milieuregelgeving vaak veel ruimte voor appreciatie laat. Bij het invullen van die appreciatie is de overheid enkel verplicht rekening te houden met de argumenten die u aanhaalt. Het is derhalve van enorm belang dat u met een omstandig en juridisch onderbouwd verzoekschrift naar de overheid stapt. Naarmate die argumentatie meer juridisch is onderbouwd (bijvoorbeeld met rechtspraak van de Raad van State, beginselen van behoorlijk bestuur,?), neemt immers de onderzoeks- en motiveringsplicht van de overheid toe, wat dan weer tot gevolg heeft dat een eventuele negatieve beslissing met meer slaagkansen kan worden aangevochten in het kader van een beroepsprocedure voor de hogere overheid.
Een dergelijk beroep bij de hogere overheid heeft conform art. 54 VLAREM I trouwens schorsende werking, wat impliceert dat uw bedrijf intussen (d.i. tot aan de uitspraak in beroep) de nadelige voorwaarde niet moet uitvoeren en ook in het kader van die beroepsprocedure nog kan genieten van een eventuele wijziging in de regelgeving of het beleid, los van hetgeen hoger werd gesteld over de onderzoeks- en de motiveringsplicht.
2. Bodemverontreiniging: enkele spijtige misvattingen.
Herhaaldelijk worden wij geconsulteerd voor advies, voor redactie van contractuele clausules of voor bijstand bij geschillen (in het kader van de administratieve procedure tegen de OVAM of in het kader van een puur burgerrechtelijke procedure na bijvoorbeeld een verkoop) met betrekking tot (mogelijke) bodemverontreiniging en bodemsanering.
Eén van de vaststellingen die wij daarbij maken is dat er nog veel misvattingen over bodemverontreiniging blijken te bestaan. Wij bespreken twee hardnekkige misvattingen:
“een bodemattest van de OVAM waarin gesteld wordt dat de grond niet is opgenomen in het register van de verontreinigde gronden impliceert dat de grond niet verontreinigd is.”
U moet er van uitgaan dat een attest van de OVAM u eigenlijk alleen maar zekerheid biedt wanneer het aangeeft dat een bepaalde grond verontreinigd is. Van ca. 90% van de gronden gelegen in Vlaanderen heeft de OVAM geen gegevens. Als het bodemattest vermeldt dat de grond niet is opgenomen in het register van de verontreinigde gronden, dan is dit zeer vaak te wijten aan het feit dat de OVAM eenvoudigweg niet over informatie m.b.t. de bodem van dat perceel beschikt. Dat perceel kan bijgevolg, hoewel het niet opgenomen is het register, wel degelijk verontreinigd zijn. U kan die onzekerheid bijvoorbeeld wegnemen door met de verkoper af te spreken dat er een beperkt bodemonderzoek wordt uitgevoerd door een erkende bodemsaneringsdeskundige (kostprijs ca. 1.500 EUR), waarvan de kosten gedeeld worden. Vermeldenswaardig is nog dat een erkende bodemsaneringsdeskundige bij dergelijk onderzoek geen verplichting heeft tot informatieoverdracht naar de OVAM.
“als de verkoper in de verkoopsovereenkomst de verbintenis op zich neemt om de kosten van een eventuele saneringsplicht te dragen, dan ben ik volledig veilig.”
Een contractuele verbintenis is qua draagwijdte beperkt tot de bewoordingen van het contract. Als in een vrijwaringsclausule enkel de term “saneringsplicht” wordt gebruikt, dan heeft dit tot gevolg dat u als koper - althans op basis van het contract - enkel vrijwaring kan uitoefenen op de verkoper voor de kosten die een saneringsplicht, opgelegd door de OVAM, met zich brengt.
Het decreet van 22.02.1995 betreffende de bodemsanering en het Vlaams Reglement betreffende de Bodemsanering bevatten echter niet alleen een regeling i.v.m. de bodemsanering, zij bevatten tevens een regeling i.v.m. het gebruik van uitgegraven bodem (het zgn. grondverzet) die aanzienlijke kosten met zich kan brengen.
De verplichting tot vrijwaring voor de kosten van een “saneringsplicht” omvat de kosten die de grondverzetregeling met zich kan brengen niet.
Bovendien omvat de vergoeding van de kosten van “de saneringsplicht” ook geen vergoeding van de schade die ingevolge de bodemverontreiniging eventueel werd berokkend aan derden en evenmin een vergoeding voor de eventuele minderwaarde dat aan het eigendom dat u aankocht wordt toegebracht. U moet er zich immers van bewust zijn dat zelfs bij uitvoering van bodemsaneringswerken de verontreiniging niet volledig verdwijnt, maar slechts wordt teruggebracht tot op een bepaald niveau. Zelfs de conformverklaring van de saneringwerken heeft niet steeds tot gevolg dat er naderhand geen verplichtingen meer kunnen zijn in het kader van de grondverzetregeling.
Dit zijn maar enkele evidente aandachtspunten, er zijn er nog andere.
Als u zich als koper niet in de luren wil laten leggen en wil vermijden dat u moet opdraaien voor de hoog oplopende kosten waartoe bodemverontreiniging aanleiding kan geven of indien u als saneringsplichtige (eigenaar, milieuvergunninghouder, ...) die kosten wil proberen af te wentelen of zo veel mogelijk te beperken, staan wij ter uwer beschikking.
Andy Beelen
Advocaat