
Intern recht.
Sedert het arrest van het Hof van Cassatie van 2.05.2002 wordt de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van wederkerige overeenkomsten wegens wanprestatie door het Hof van Cassatie aanvaard.
De toepassingsvoorwaarden die algemeen in de rechtsleer worden aanvaard om een correcte buitengerechtelijke ontbindingsverklaring te kunnen doorvoeren zijn de volgende:
1. de wederpartij moet zich schuldig hebben gemaakt aan een voldoende ernstige contractuele wanprestatie die een gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst te haren laste zou rechtvaardigen;
2. De door artikel 1184 B.W. aan de rechter verleende bevoegdheid om aan de in gebreke gebleven wederpartij nog uitstel toe te kennen, moet zinloos of doelloos zijn geworden, wat kan blijken uit o.m. een situatie van spoedeisendheid of uit het wegvallen van het nodige vertrouwen tussen de contractpartijen;
3. De contractpartij die op de eenzijdige ontbindingsverklaring een beroep wil doen, moet vooraf een kennisgeving richten aan de wederpartij waarin zij de eenzijdige ontbindingsver-klaring op ondubbelzinnige wijze aan de wederpartij kenbaar maakt en het motief ervan opgeeft;
4. De eenzijdige ontbindingsverklaring dient principieel te worden voorafgegaan door een ingebrekestelling van de wederpartij om haar verbintenis uit te voeren, als dit materieel nog mogelijk is, en met toekenning van een laatste redelijke termijn om daartoe over te gaan.
In een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 10.02.2004 wordt omtrent het belang van een voorafgaande ingebrekestelling uitspraak gedaan.
Het Hof oordeelt dat het louter bestaan tussen de contractanten van een bedongen uitvoeringster-mijn niet kan geacht worden een vrijstelling van ingebrekestelling in te houden nu bedingen waarbij vrijstelling van ingebrekestelling wordt verleend nauwkeurig en ondubbelzinnig geformuleerd moeten zijn en op een strikte wijze zouden moeten geïnterpreteerd worden.
In een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6.05.2003 wordt eveneens toepassing gemaakt van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk burgerrechtelijke sancties geen uitwer-king kunnen krijgen zonder voorafgaande ingebrekestelling van de schuldenaar die de wanprestatie begaat.
In een noot onder dit arrest worden de cumulatieve voorwaarden opgesomd dewelke nodig zijn om een oorspronkelijke schuldenaar te vervangen door een derde op kosten van eerst genoemde zonder rechterlijke machtiging (afwijking artikel 1144 B.W.)
De cumulatieve voorwaarden zijn de volgende:
1. de schuldeiser moet het bewijs leveren van een voldoende ernstige en toerekenbare tekort-koming van de schuldenaar;
2. Er moeten begeleidende omstandigheden zijn, zoals hoogdringendheid, vertrouwenscrisis, onmogelijkheid of zinloosheid van de verdere uitvoering door de oorspronkelijke schuldenaar;
3. Er moet een voorafgaande aanmaning zijn van de schuldenaar waarbij deze een laatste termijn krijgt aangeboden waarbinnen hij moet presteren.
Internationaal.
Wij worden meer en meer geconfronteerd met internationale koop/verkoopovereenkomsten en met de toepassing van het Weens Koopverdrag.
Het is van belang te weten dat het niet alleen de traditionele koopovereenkomsten betreft.
Artikel 3 van het CISG bepaalt dat met koopovereenkomsten gelijkstaan overeenkomsten tot levering van te vervaardigen of voort te brengen roerende zaken tenzij de partij die zaken besteld een wezenlijk deel van de voor de vervaardiging of voortbrenging benodigde grondstoffen moet verschaffen.
In het Weens Koopverdrag is er een specifieke regeling m.b.t. de ontbindingsverklaring.
Krachtens artikel 26 van het Weens Koopverdrag is een verklaring tot ontbinding uitsluitend geldig indien zij geschiedt door een kennisgeving (notification) aan de schuldenaar.
De ontbinding op initiatief van de koper lastens de verkoper wordt geregeld in artikel 49 van het Verdrag, terwijl de ontbinding door de verkoper lastens de nalatige koper onderworpen is aan artikel 64 van het Verdrag.
Deze bepalingen vormen elkaars spiegelbeeld.
De ontbinding volgens het Weens Koopverdrag kan slechts gebaseerd worden op twee gronden:
1. er moet sprake zijn van een wezenlijke tekortkoming, ofwel heeft de schuldenaar de aanvullende uitvoeringstermijn vruchteloos laten verstrijken,
2. of heeft hij verklaard niet te zullen presteren tijdens deze “Nachfrist” (artikel 25 - 47 en 63 van het Verdrag)
Gezien het delicaat karakter van een E.B.O. is het geraadzaam steeds voorafgaandelijk uw advocaat te consulteren.
Overhaast de E.B.O. toepassen kan U heel wat kosten.
Arne VAN DER GRAESEN
Vennoot