
Vaak wenst men in het kader van een echtscheidingsprocedure gebruik te maken van medische attesten teneinde een aantal feiten ten laste van de tegenpartij te bewijzen. Zo gebeurt het bijvoorbeeld dat medische attesten bijgebracht worden om aan te tonen dat de andere echtgenoot zich schuldig maakt aan mishandeling, slagen, enz. In dat geval zal men een attest bijbrengen omtrent de eigen gezondheidstoestand. Anderzijds kunnen ook attesten bijgebracht worden omtrent de gezondheidstoestand van de andere echtgenoot, bijvoorbeeld in het kader van het bewijs van een eventueel alcoholmisbruik, geestesziekte, ... Het is in dit laatste geval, met name wanneer men medische gegevens met betrekking tot de andere partij wenst aan te wenden in het kader van een procedure voor de rechtbank, dat men geconfronteerd zal worden met een aantal vragen en problemen.
Twee principes zijn in dit kader van belang.
Vooreerst is er het medisch beroepsgeheim van de arts die medische attesten opstelt in het kader van zijn beroep. Een medisch attest bevat een beschrijving van de gezondheidstoestand van de patiënt en bevat aldus vertrouwelijke informatie. Artikel 458 van het Strafwetboek sanctioneert de arts die medische gegevens waarvan hij kennis gekregen heeft bij uitoefening van zijn beroep, zonder meer openbaar maakt of doorspeelt aan derden.
Het medisch beroepsgeheim is evenwel niet absoluut. De patiënt kan immers steeds zelf zijn toestemming verlenen om medische gegevens kenbaar te maken. Dit recht om zelf te beschikken over vertrouwelijke informatie is een afgeleide van het recht op privacy.
De vraag die zich stelt is door wie en aan wie vertrouwelijke medische gegevens kenbaar gemaakt mogen worden. We overlopen even in het algemeen de verschillende hypotheses, om daarna meer specifiek aandacht te besteden aan de echtscheidingsprocedure.
Vooreerst is er de arts zelf die medische informatie kenbaar kan maken.
Het hoeft geen betoog dat een arts zonder probleem gegevens kan/moet doorgeven aan zijn patiënten. Iedere patiënt heeft immers recht op informatie en de waarheid omtrent zijn gezondheidstoestand. Dit brengt met zich mee dat een patiënt niet alleen recht heeft op inzage in zijn medisch dossier, maar eveneens dat hij deze gegevens indien hij dit wenst kenbaar kan maken aan derden.
Hiernaast zal een arts ook medische info van zijn patiënten kunnen doorgeven aan andere artsen wanneer het belang van de patiënt dit vereist. Ieder arts is immers gehouden door het medisch beroepsgeheim.
Hetgeen daarentegen wel problematisch kan zijn, is de situatie waarin een arts medische gegevens omtrent een patiënt doorgeeft aan een derde. Dit zou enkel kunnen op voorwaarde dat de patiënt in kwestie voorafgaandelijk, in volledige vrijheid en met kennis van zaken, hiertoe zijn toestemming verleend heeft. Is dit niet het geval dan maakt de arts zich schuldig aan schending van het beroepsgeheim, en zal het attest niet gebruikt kunnen worden als bewijsstuk in een procedure voor de rechtbank. De vraag evenwel is of het überhaupt wel mogelijk is voorafgaandelijk zulk een toestemming te verlenen. Het Hof van Cassatie, hierin gevolgd door een deel van de rechtspraak, meent alvast van niet. Het medisch beroepsgeheim is er immers niet enkel ter bescherming van de belangen van de patiënt, maar dient eveneens een algemeen sociaal belang.
Anderzijds is, zoals hoger reeds gesteld, eveneens het zelfbeschikkingsrecht van iedere patiënt om vrij te beschikken over de medische gegevens in het geding.
Er bestaat aldus een spanningsveld tussen enerzijds het medisch beroepsgeheim en anderzijds het recht op privacy, met daarin vervat het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt om te doen met zijn vertrouwelijke gegevens wat hij zelf verkiest.
Ten tweede is er de patiënt zelf die in het kader van een gerechtelijke procedure documenten kan bijbrengen omtrent zijn eigen medische toestand. Hier spelen niet meer de regels met betrekking tot het medisch beroepsgeheim, maar zijn het enkel de regels en principes met betrekking tot de bescherming van het privé-leven die van tel zijn. “Privacy” houdt niet enkel het recht “om met rust gelaten te worden” in. Het houdt evenzeer voor ieder persoon het recht in om naar eigen goeddunken te beschikken over vertrouwelijke info die hem aanbelangt.
Tot slot is er de hypothese dat een derde (die niet de dokter of de patiënt is) medische gegevens openbaar maakt. In dit geval dienen zowel de regel van het medisch beroepsgeheim als de privacyreglementering in acht genomen te worden. Drie hypotheses zijn mogelijk.
1. Indien de derde in het bezit is gekomen van de vertrouwelijke info doordat de arts zijn beroepsgeheim schond, kan het medisch attest als vanzelfsprekend niet gebruikt worden als bewijsstuk voor de rechtbank. Zelfs niet indien de patiënt nadien zijn toestemming verleent. En dit wegens schending van artikel 458 van het Strafwetboek.
2. In het geval medische documenten onderschept worden door een derde, kan de patiënt dit op onregelmatige wijze verkregen bewijs, regulariseren door achteraf nog zijn toestemming te verlenen. In dit geval was er immers geen schending van het beroepsgeheim, maar onderschepte een derde persoon info die de arts wenste over te maken aan zijn patiënt.
3. Wanneer de derde in het bezit gekomen is van medische gegevens door tussenkomst vanwege de patiënt zelf (bv. doordat deze hem zelf de gegevens overhandigde of zijn arts hiertoe de opdracht gaf) dan kan de patiënt eveneens de toelating verlenen om de info te gebruiken in de gerechtelijke procedure.
Wanneer een derde aldus medische informatie wil aanwenden voor de rechtbank en er geen schending van het beroepsgeheim door de arts plaatsvond, zal hij dienen aan te tonen dat de patiënt hem hiertoe de uitdrukkelijke toestemming heeft verleend, en dit ofwel op het ogenblik waarop de derde in het bezit kwam van de info ofwel achteraf. Is dit niet gebeurd dan zal het bewijsstuk normalerwijze verworpen worden door de rechtbank.
Een strikte toepassing van de hier vermelde principes zou betekenen dat ook in echtscheidingsprocedures de patiënt zijn toestemming moet verleend hebben om een medisch attest op te stellen, om de echtgenoot in het bezit te laten komen van dit document en om het stuk aan te wenden tijdens de procedure. Een echtgenoot dient immers beschouwd te worden als een “derde” in de relatie arts - patiënt.
Belangrijk is evenwel dat het recht op privacy niet op absolute wijze geldt tussen echtgenoten. Het zou al te ver gaan om te eisen dat iemand die beschikt over een medisch document aangaande de gezondheidstoestand van zijn echtgenoot de uitdrukkelijke toestemming van zijn echtgenoot verkreeg om het document in bezit te nemen en aan te wenden voor de rechtbank. Wanneer een conflict tussen echtgenoten ter beoordeling aan een rechtbank wordt voorgelegd weet men vooraf dat er sowieso details uit het privé-leven van deze personen blootgelegd zullen worden. In een echtscheidingsprocedure zal de rechtbank steeds het evenwicht zoeken tussen enerzijds het recht op privacy en anderzijds het belang de waarheid aan het licht te brengen.
Katleen Lemmens