advocaten Gevaco

Meer dan 50 jaar kennis en ervaring

Nieuwsbrief 18: Mijn kind, braaf kind? Opzet in de gezinsaansprakelijkheidsverzekering

(01 - 12 - 01)

Iedereen beseft dat in onze huidige samenleving aan minderjarigen meer zelfstandigheid wordt gegeven. Deze zelfstandigheid brengt behalve positieve gevolgen ook mee dat minderjarigen sneller geconfronteerd zullen worden met aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid.

Wanneer minderjarigen een onrechtmatige daad begaan, ontspringen zij zelf meestal de dans maar worden de ouders, als burgerlijk aansprakelijken overeenkomstig art. 1384 lid 2 B.W., daarentegen vaak geconfronteerd met aansprakelijkheidsvorderingen met een zwaar financieel staartje.

Dergelijke aansprakelijkheidsvorderingen, die vaak leidden tot sociale drama’s, wekten een bezorgdheid die aanleiding gaf tot het ontstaan van de gezinsaansprakelijkheidsverzekering, welke verzekering niet verplicht is doch enkel moet voldoen aan bepaalde minimumvoorwaarden.

De aanwezigheid van deze minimumvoorwaarden belet niet dat zich het probleem van de dekking bij opzettelijk veroorzaakte schade voordoet, bv. een minderjarige heeft opzettelijk iemand geslagen of heeft opzettelijk brand gesticht.

Deze bijdrage wil dan ook summier belichten wat de gevolgen van het opzettelijk veroorzaken van schade ten aanzien van de waarborg binnen de gezinsaansprakelijkheidsverzekering zijn.

1. Toepasselijke wetgeving

Wat betreft opzettelijk veroorzaakte schade is artikel 8 lid 1 van de Wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst van toepassing, hetgeen bepaalt:

“Niettegenstaande enig andersluidend beding, kan de verzekeraar niet verplicht worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt.”

Derhalve kan opzettelijk veroorzaakte schade niet gedekt worden door de gezinsaansprakelijkheidsverzekering.

Bovendien dient opgemerkt dat de wet van 25 juni 1992 van openbare orde is, hetgeen betekent dat geen enkel afwijkend beding toegelaten is.

2. Wat verstaat men dan onder “opzet”?

Indien opzettelijk veroorzaakte schade niet onder de dekking valt, is het toch belangrijk precies te weten wat men onder “opzet” verstaat.

Algemeen wordt aangenomen dat een opzettelijk schadegeval inhoudt dat dit door de verzekerde bewust en met kennis van de gevolgen van zijn daad werd veroorzaakt.

Bij daden van minderjarigen past men om opzet te beoordelen het criterium van de jaren des onderscheids toe, waarbij wordt nagegaan of een kind zich bewust kan zijn van de gevolgen van zijn daden.

De beoordeling van dit criterium is een feitenkwestie doch de rechtspraak is zeer mild ten aanzien van daden van minderjarigen.

Vaak worden de daden van kinderen gesitueerd in een spel of in een andere kinderactiviteit waardoor deze daden niet als opzettelijk worden beschouwd.

Teruggaande op het bovengaande, was er volgens de rechtspraak enkel sprake van opzet indien de verzekerde de bedoeling heeft gehad om schade te veroorzaken.

Het Hof van Cassatie heeft het begrip opzet echter hergedefinieerd bij arrest van 5 december 2000 en gesteld dat er sprake is van opzet wanneer men aan een derde redelijke voorzienbare schade veroorzaakt, ook al is die niet gewild.

Deze laatste visie dient dus gevolgd te worden.


3. Kan de verzekeraar dekking weigeren ten overstaan van de ouders-burgerlijk aansprakelijken.

Bij opzettelijke schade veroorzaakt door minderjarigen, doen ouders, die aangesproken worden als burgerlijk aansprakelijken op grond van art. 1384 lid 2 B.W., vaak beroep op de waarborg van hun gezinsaansprakelijkheidsverzekering.

Kan de gezinsaansprakelijkheidsverzekeraar dekking weigeren ten aanzien van de ouders van de minderjarige die de daad opzettelijk heeft veroorzaakt?

Artikel 8 lid 1 van de wet 25 juni 1992 biedt zelf de oplossing. De verzekeraar kan weigeren dekking te verlenen ten aanzien van de minderjarige omdat hij het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt, maar de verzekeraar kan geen dekking weigeren ten aanzien van de ouders-burgerlijk aansprakelijken.

Dit standpunt komt eveneens tot uiting in de recente rechtspraak.

De dekking ten aanzien van de ouders lost evenwel niet alles op. De verzekeraar kan immers na vergoeding van de schadelijders, de door hem uitbetaalde bedragen terugvorderen van de aansprakelijke, zijnde de minderjarige (art. 41 wet 25 juni 1992).

De verzekeraar kan echter alleen terugvorderen als de minderjarige een derde en geen verzekerde is.

Wanneer is een minderjarige een derde? Een minderjarige is slechts een derde wanneer hij niet inwoont bij zijn ouders-verzekeringsnemers.

In de meeste gevallen zijn de minderjarigen inwonend waardoor zij “verzekerde” zijn waartegen de verzekeraar geen vordering kan instellen.

Wanneer kinderen niet meer inwonend zijn, bv. door echtscheiding of feitelijk scheiding, kan de verzekeraar hen dus wel aanspreken maar dit verhaalsrecht is op volgende manier beperkt:

- de minderjarige kan alleen tot vergoeding gedwongen worden wanneer hij tot de jaren des onderscheids gekomen is

én

- verhaal op bloedverwanten in de rechte neerdalende lijn (= kinderen ten opzichte van de ouders) is in principe verboden, behalve bij kwaadwillig opzet (art. 41 lid 4 wet 25 juni 1992)

De inhoud van het begrip “kwaadwillig opzet” moet door de rechter nader bepaald worden.


4. Wie moet bewijzen dat een daad opzettelijk gepleegd is: de verzekeraar of de verzekerde?

Deze vraag houdt onmiddellijk verband met het onderscheid tussen de uitsluiting van dekking en het verval van dekking.

Bij uitsluiting van dekking dient de verzekerde te bewijzen dat het verzekeringscontract in het schadegeval voorziet en het niet uitsluit.

Bij verval van dekking rust de bewijslast op verzekeraar.

Het Hof van Cassatie heeft in haar arresten van 5 januari 1995 en 13 maart 1998 bepaalt dat een verzekerde die ten opzichte van zijn verzekeraar doet gelden dat hij recht heeft op betaling, naast de schade en de gebeurtenis die daartoe aanleiding gaf, ook dient te bewijzen dat het verzekeringscontract wel degelijk in dat schadegeval voorziet en het niet uitsluit.

Het Hof van Cassatie kiest dus voor de uitsluiting van dekking met bewijslast voor de verzekerde.

De verzekerde mag, bij de gezinsaansprakelijkheidsverzekering, het bewijs van de afwezigheid van opzet, leveren met alle middelen van recht, dus ook met getuigen en vermoedens, waarbij het vermoeden van goede trouw een grote rol kan spelen.

5. Besluit

Bij opzettelijk veroorzaakte schadegevallen door minderjarigen, kunnen de ouders als burgerlijk aansprakelijken beroep doen op de waarborg binnen de gezinsaansprakelijkheidsverzekering.

Hieromtrent bestaat ingevolge art. 8 lid 1 van de wet van 25 juni 1992 geen discussie meer.
Evenwel is er nog altijd discussie over de juiste invulling van het begrip “opzet” en de bewijslast ervan.

Het Hof van Cassatie zal hierover uitsluitsel moeten geven in de toekomst zodat de partijen bij een opzettelijk veroorzaakt schadegeval dan pas echt zullen weten waar zij aan toe zijn.

Daisy WINTERS



belgavokaAdvocatennetadvogatefrancavoka
Webdesign by Nozzle Communication Agency.