advocaten Gevaco

Erkend bemiddelaar in familiezaken, burgerlijke en handelszaken

Nieuwsbrief 16: Indicatieve Lijst

(03 - 12 - 00)

Op zaterdag 2 december 2000 vond een studiedag plaats, georganiseerd door het Nationaal Verbond van Magistraten van Eerste Aanleg en het Koninklijk Verbond van de Vrede- en Politierechters met betrekking tot de indicatieve lijst.
Deze lijst werd voor het eerst einde 1995 gepubliceerd en werd een eerste maal ge?valueerd tijdens een workshop op 08 november 1997 en gepubliceerd in het Rechtskundig Weekblad op 24 oktober 1998.

Er werd in verschillende werkgroepen gedebatteerd over de verschillende onderwerpen, die door de indicatieve lijst worden behandeld.

Het is de bedoeling om de besluiten van deze werkgroepen opnieuw te bestuderen en te bespreken om dan tot een gere?valueerde tabel te komen.

Volgende voorstellen tot wijziging wens ik even aan te halen:


1. Kapitalisatie:

- De rentevoet die bij de vorige lijst voorgesteld werd op 4 % te houden, werd thans voorgesteld op 3 % te nemen. De reden hiervoor is dat de re?le rente actueel kan berekend worden als bruto rendement in risicoloze beleggingen aan 6% - 2,1 % inflatie - 0,9 % roerende voorheffing.

- Voor wat betreft de toekomstige loonsverhogingen werd thans voorgesteld om, ingeval dat de toekomstige loonsverhogingen bovenop inflatie kunnen worden aangetoond, het berekend kapitaal verhoogd kan worden, bij gebreke aan concrete begroting volgens het volgende percentage:

  resterend aantal actieve arbeidsjaren x % verwachte groei per jaar
________________________________________________________________
2


De huidige verwachte groei is per arbeidscategorie op dit ogenblik van 0 tot 2 %.

2. Bij vergoeding voor blijvende letsels met een forfaitair bedrag vermengd per punt:

- De bedragen die men thans per punt wenst voor te stellen, zouden toegepast worden bij een invaliditeit van 0 tot 14 %. Persoonlijk ben ik van oordeel dat dit laatste cijfer nogal hoog is. Immers, men kan toch spreken van een ernstige invaliditeit vanaf 9 ? 10 %. In elk geval zal dit steeds in concreto moeten worden bekeken.
- Opmerkelijk was dan dat de vergoedingen per punt aangepast werden in de categorie tussen 15 en 55 jaar oud en wel in stijgende lijn, terwijl de vergoeding voor de personen met de leeftijd van 75 jaar en meer verminderd werden. Hierover ontstond een heel debat.
De reden waarom men deze bedragen heeft aangepast, werd door professor doctor Thierry Bauwelinckx verdedigd omwille van het feit dat wanneer men berekende welke de rente is die men bekomt op jaarbasis voor elk van deze vergoedingen, er een duidelijk verschil was waarbij vooral de leeftijdscategorie?n tussen de 15 en 55 jaar duidelijk minder rente ontvingen uit hun kapitaal dan zij die een leeftijd hadden van 75 jaar of meer. Prof. Bauwelinckx heeft dan een berekening gemaakt om deze rente gelijk te kunnen houden voor elke leeftijdscategorie en kwam dan op de bedragen die men thans voorstelt.
De bedragen zijn dan de volgende:

Slachtoffer minder dan 10 jaar: per punt: 80.000 BEF (1983,15 euro)
Slachtoffer minder dan 15 jaar: per punt: 80.000 BEF (1983,15 euro)
Slachtoffer minder dan 25 jaar: per punt: 75.000 BEF (1859,20 euro)
Slachtoffer minder dan 30 jaar: per punt: 70.000 BEF (1735,25 euro)
Slachtoffer minder dan 35 jaar: per punt: 70.000 BEF (1735,25 euro)
Slachtoffer minder dan 40 jaar: per punt: 65.000 BEF (1611,31 euro)
Slachtoffer minder dan 45 jaar: per punt: 60.000 BEF (1487,39 euro)
Slachtoffer minder dan 50 jaar: per punt: 55.000 BEF (1363,41 euro)
Slachtoffer minder dan 55 jaar: per punt: 50.000 BEF (1239,47 euro)
Slachtoffer minder dan 60 jaar: per punt: 45.000 BEF (1115,52 euro)
Slachtoffer minder dan 65 jaar: per punt: 35.000 BEF (867,63 euro)
Slachtoffer minder dan 70 jaar: per punt: 30.000 BEF (743,68 euro)
Slachtoffer minder dan 75 jaar: per punt: 25.000 BEF (619,73 euro)
Slachtoffer minder dan 80 jaar: per punt: 20.000 BEF (495,79 euro)
Slachtoffer minder dan 85 jaar: per punt: 15.000 BEF (371,84 euro)
Slachtoffer meer dan 85 jaar: per punt: 10.000 BEF (247,89 euro)

De reactie hierop was dat vooral in de groep waar de meeste slachtoffers vallen hogere vergoedingen worden toegekend.
Bovendien werd gesteld dat dit ongeveer een verhoging van 20 % inhoudt t.o.v. de lijst van 1998, daar waar de inflatie slechts 2 % per jaar is.
Er ontstond dan tevens een discussie over de sterftetabels die gebruikt werden. Deze cijfers zullen nog verder het voorwerp uitmaken van een bespreking.

3. Economische waarde huishoudelijke arbeid:

Thans wordt voorgesteld om een vergoeding van 700 BEF per dag toe te kennen voor een gezin zonder kinderlast. Met kinderlast 1.000 BEF per dag met 1 kind, per bijkomend kind te verhogen met 200 BEF per kind, waarbij de thuisblijvende kinderen ten laste van het globaal huishouden worden gerekend tot hun 18 jaar.
Bij gebreke aan concrete gegevens kan de bijdrage gesplitst worden in 65 % bijdrage voor de vrouw en 35 % door de man.

4. Morele schade Tijdelijke Werkonbekwaamheid:

Deze bedragen werden eveneens voorgesteld om aangepast te worden, maar men vertrekt dan wel van de stelling dat dit naast pijn en smarten, onder meer alle courante ongemakken m.b.t. persoonlijke activiteiten in tuin, sport, hobby en het pretium doloris omvatten. Dit omdat er op dat vlak nog verschil in rechtspraak is.

Derhalve wordt voor de gewone dagen zonder ziekenhuisopname 1.000 BEF voorgesteld.

Per gewone dag hospitalisatie 1.250 BEF en 1.500 BEF bij opname met zware pijnen, bijzondere fysieke hinder, ook als zij blijven na de hospitalisatie.

Dit is een goed voorstel gezien men de verschillen in rechtspraak tracht weg te gommen.

5. Morele schade bij overlijden:

Ook hier is er een verhoging m.n. voor de morele schade bij verlies van echtgenoot, echtgenote of samenlevende levenspartner, waar dit van 350.000 BEF verhoogd wordt tot 400.000 BEF.

Idem voor wat betreft de verloofde bij nakend huwelijk waar het bedrag van 150.000 BEF naar 200.000 BEF wordt verhoogd.

6. Esthetische schade:

In plaats van minimum en maximum bedragen te geven, worden thans minimale cijfers vooropgesteld waarbij het bedrag per graad hoger kan liggen dan het minimum van de volgende graad.

Volgende bedragen worden voorgesteld:

  1. Miniem: 10.000 BEF
  2. Zeer licht: 30.000 BEF
  3. Licht: 60.000 BEF
  4. Middelmatig: 90.000 BEF
  5. Ernstig: 500.000 BEF
  6. Zeer ernstig: 1.000.000 BEF
  7. Afstotend: 2.500.000 BEF



7. Gebruiksderving van voertuigen:

Voor de moto meer dan 450 cc wordt thans 600 BEF per dag voorgesteld.

8. Verlies aan schooljaar:

Er wordt thans voorgesteld de vergoedingen apart toe te kennen, enerzijds voor de morele schade, nl. wegens het verlies van bijzondere schoolactiviteiten en de frustraties ten gevolge van een maatschappelijk beeld van blijven zitten, het verlies in de toekomstige beroepsactiviteit of loopbaan, maar anderzijds ook voor de schade in hoofde van diegene die de kosten van dit schooljaar een tweede maal heeft moeten dragen.

Derhalve worden volgende bedragen voorgesteld.

 MoreelMaterieel
Lager onderwijs90.000 BEF (2.231,04 euro)15.000 BEF (371,84 euro)
Middelbaar-beroepsonderwijs150.000 BEF (3.718,40 euro)40.000 BEF (991,57 euro)
Hoger onderwijs200.000 BEF (4.957,87 euro)Op kot 150.000 BEF (3.718,4 euro)
  Thuis 80.000 BEF (1.983,15 euro)
Universiteit300.000 BEF (7.436,81 euro)Op kot 140.000 BEF (3.470,5 euro)
  Thuis 70.000 BEF (1.735,25 euro)

BESLUIT:
Men dient vast te stellen dat ook nu weer grondig studiewerk voorafgegaan is aan het ontwerp van dit nieuwe voorstel van indicatieve lijst.
Anderzijds is het perfect begrijpbaar dat voor de verzekeraar een verhoging van de uitgaven in een ongevalsgevoelige leeftijdscategorie zware gevolgen kan hebben en derhalve deze verzekeringstak zich kan bezwaren, gelet onder meer op de concurrentiedruk die op de premies rust.
Met belangstelling kijk ik dan ook uit naar de definitieve tekst.


Marc GEYSKENS



belgavokaAdvocatennetadvogatefrancavoka
Webdesign by Nozzle Communication Agency.