advocaten Gevaco

Meer dan 50 jaar kennis en ervaring

Nieuwsbrief 15: Bodemverontreiniging, wie moet saneren en wanneer?

(01 - 07 - 00)

De problematiek van verontreinigde gronden is recent herhaaldelijk in het nieuws geweest. Zo bleken op sommige plaatsen in ons land woonwijken gebouwd te zijn op zwaar vervuilde gronden. Het hoeft dus geen betoog dat bodemsanering geen ver-van-mijn-bed-show is, maar een realiteit waarmee ieder van ons geconfronteerd kan worden.

In deze bijdrage overlopen we in vogelvlucht enkele belangrijke principes inzake de bodemsanering.

a. Wanneer moet gesaneerd worden?

Wanneer bodemverontreiniging wordt vastgesteld, dan moet in regel worden overgegaan worden tot sanering.

Onderscheid moet echter worden gemaakt tussen nieuwe en historische bodemverontreiniging.

Nieuwe bodemverontreiniging is bodemverontreiniging die is ontstaan na 29.10.1995. Onder historische bodemverontreiniging wordt bijgevolg logischerwijze verstaan verontreiniging daterend van voor 29.10.1995. Hierin valt al meteen een onduidelijkheid op: wat met bodemverontreiniging ontstaan precies op 29.10.1995? In tegenstelling tot het decreet van 22.3.1995 betreffende de bodemsanering, bevat het VLAREBO (d.i. het uitvoeringsbesluit van dit decreet) een andere omschrijving van nieuwe en historische verontreiniging, waardoor men niet met een leemte van 1 dag (nl. 29.10.1995) te maken heeft. Of dergelijke wijziging via een uitvoeringsbesluit mogelijk is, is echter zeer twijfelachtig…

Nieuwe bodemverontreiniging

Zo men geconfronteerd wordt met nieuwe bodemverontreiniging, geldt dat moet worden overgegaan tot sanering indien de bodemsaneringsnormen zijn overschreden. Deze normen beantwoorden aan een niveau van bodemverontreiniging die bij overschrijding ernstige nadelige gevolgen kunnen teweegbrengen voor de mens of het milieu, gelet op de kenmerken van de bodem en de functies die deze vervult. De concrete invulling van die normen vindt men terug in het VLAREBO (bijlage 4).

De bodemsaneringsnormen zijn afhankelijk van de bestemming volgens geldende plannen van aanleg of in functie van de beschermde duingebieden en van de landbouwgebieden belangrijk voor het duingebied. Voorts onderscheidt men 5 bestemmingstypes (I tot V). Zo vallen onder bestemmingstype I bos-en natuurgebieden, beschermde duingebieden. Agrarisch gebied en landelijk gebied met toeristische waarde behoren tot bestemmingstype II. Bestemmingstype III omvat oa. woongebieden, scholen en kinderspeelterreinen. Onder bestemmingstype IV zijn bv. sportterreinen en speelbossen ondergebracht. Tot slot behoren tot bestemmingstype V onder meer industriegebieden, gebieden voor K.M.O.’s, gebieden hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging van grootwinkelberdijven, luchtvaartterreinen.

Historische bodemverontreiniging

In geval van historische bodemverontreiniging, moet sanering worden doorgevoerd indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt. Of dit al dan niet het geval is, kan maar blijken na een beschrijvend bodemonderzoek. Er is sprake van een ernstige bedreiging indien er contact is of kan zijn tussen de verontreinigende stoffen of organismen en mensen, planten of dieren en waarbij dit conatct zeker of waarschijnlijk schadelijke gevolgen zal hebben voor de gezondheid van mensen, dieren of planten. Een ernstige berdeiging is er ook indien door de bodemverontreiniging de waterwinning nadeling kan worden beïnvloed.

Bij de beoordeling van de ernst van de bedreiging door bodemverontreiniging, houdt men rekening met:
- de kenmerken van de bodem;
- de aard en de concentratie van de stoffen of organismen;
- de mogelijkheid op verspreiding ervan;
- de functies die de bodem vervult;
- het gevaar op blootstelling van mensen, planten of dieren en waterwinningen.

Bovendien moet OVAM de saneringsplichtige aanmanen over te gaan tot sanering.


b. Wie moet overgaan tot sanering?

Ook hier moet een onderscheid worden gemaakt al naargelang het een nieuwe of een historische verontreinging betreft.

Nieuwe bodemverontreinigiging

Bij nieuwe bodemverontreinging geldt als algemeen principe dat de exploitant, eigenaar of gebruiker moet overgaan tot sanering.

De exploitant is elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inrichting exploiteert of voor wiens rekening een inrichting wordt geëxploiteerd. Onder exploitatie wordt verstaan het in werking stellen of houden, gebruiken, installeren of in stand houden van een inrichting, daaronder begrepen het lozen van afvalwater. De exploitant moet saneren indien op de grond waar de verontreinging tot stand kwam een inrichting gevestigd is of een activiteit uitgeoefend wordt die vergunnings-of meldingsplichtig is (zoals voorzien in het Milieuvergunningsdecreet). In de andere gevallen is de eigenaar van de grond waar de verontreiniging tot stand kwam verplicht to sanering. Hij kan evenwel aantonen dat een andere persoon voor eigen rekening de feitelijke controle over deze grond heeft (bv. vuchtgebruiker) waardoor de verplichting verschuift naar die andere persoon.

Op deze beginselen bestaat echter een belangrijke uitzondering.

De zogenaamde ‘onschuldige’ exploitant, eigenaar of gebruiker moet niet overgaan tot sanering. Om van dit statuut te kunnen genieten, moet men evenwel cumulatief aan 3 voorwaarden voldoen.

Vooreerst moet men bewijzen dat men de bodemverontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt. Voorts moet blijken dat op het ogenblik waarop de ‘onschuldige’voldeed aan de algemene voorwaarden om tot sanering over te gaan, hij niet op de hoogte was èn niet hoorde te zijn van de verontreiniging. Het is duidelijk dat dit zeer moeilijk aan te tonen is. Tenslotte mag sinds 1 januari 1993 is op de grond geen inrichting of activiteit gevestigd die voorkomt op de lijst van inrichtingen en activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken. Deze lijst wordt opgesteld door de Vlaamse Regering (z. bijlage 1 aan het VLAREBO). Als activiteit of inrichting die voorkomt op deze lijst kan ter illustratie verwezen worden naar mouterijen, bierbrouwerijen en inrichtingen voor het bereiden van spuitwaters, frisdranken, alcoholische dranken of likeuren, cider, vruchtenwijn, schuimwijn enz. alsmede drankconditioneringsbedrijven en bottelarijen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW.

Daarbij geldt een vermoeden dat de saneringsplichtige exploitant die de exploitatie van de op de grond gevestigde vergunnings-of meldingsplichtige inrichting of activiteit overnam, of de saneringsplichtige eigenaar of gebruiker die de eigendom respectievelijk de feitelijke controle over de grond verwierf van een verbonden onderneming, op de hoogte was van de verontreiniging.

Historische bodemverontreiniging

Bij historische bodemverontreiniging worden door OVAM in beginsel dezelfde personen aangemaand om over te gaan tot sanering als deze die een zelfstandige verplichting hebben tot sanering bij nieuwe bodemverontreiniging (nl. exploitant, eigenaar of gebruiker). Bij historische bodemverontreining ontstaat de verplichting tot sanering echter pas na deze aanmaning. Vanzelfsprekend kan men steeds uit eigen beweging overgaan tot sanering van de verontreinigde grond onder toezicht van OVAM. Dan is men een saneringsvrijwillige.

Ook bij historische verontreining is voorzien in de uitzondering van de ‘onschuldige’ exploiatnt, eigenaar of gebruiker. Deze moet niet overgaan tot sanering als hij cumulatief aan twee voorwaarden voldoet:

- hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;
- op het ogenblik waarop hij eigenaar of gebruiker werd van de grond was hij niet op de hoogte of behoorde hij niet op de hoogte te zijn van de verontreiniging.

Bovendien kan ook de aangewezen saneringsplichtige niet gedwongen worden over te gaan tot sanering indien hij m.b.t. historisch verontreinigde gronden verworven voor 1.1.1993, wel degelijk van de verontreiniging op de hoogte was of behoorde te zijn, maar deze verontreiniging niet heeft veroorzaakt en deze gronden sinds de verwerving niet heeft gebruikt voor zijn beroep of bedrijf.

Gemengde bodemverontreiniging

Een tussencategorie betreft de gemengde bodemverontreiniging. Hieronder wordt verstaan de verontreiniging die tot stand is gekomen gedeeltelijk voor en gedeeltelijk na 29.10.1995. Indien het onderscheid tussen beide vormen van verontreiniging duidelijk is, worden gewoon de respectievelijke regels toegepast. Is dit niet het geval, dan gelden uitsluiten de regels inzake sanering bij nieuwe bodemverontreiniging.


Deze korte schets toont aan dat de bodemsanering geen eenvoudige materie is en dat zich n.a.v. een concreet geval op vele punten discussies kunnen ontwikkelen. Bovendien dient te worden opgemerkt dat diegene die uiteindelijk overgaat tot sanering, niet noodzakelijk aansprakelijk is voor de bodemverontreiniging. In dat geval kan diegene die overging tot sanering eventueel de kosten verhalen op de aansprakelijke persoon.

In een volgende bijdrage zal daarom worden ingegaan op de aansprakelijkheid bij bodemverontreiniging.

Filip Vanneste
Advocaat



belgavokaAdvocatennetadvogatefrancavoka
Webdesign by Nozzle Communication Agency.